ECLI:NL:RBDHA:2020:11778
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken machtiging bij visumafwijzing in COVID-19 context
Eisers, allen Iraanse familieleden van een in Nederland verblijvende referente, vroegen in augustus 2019 een visum kort verblijf aan voor familiebezoek. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvragen af vanwege onvoldoende aantoonbare binding met het land van herkomst, onvoldoende middelen van bestaan en twijfel over het vertrek vóór het verlopen van het visum.
Tijdens de bezwaarprocedure werden de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. De afwijzing werd mede gebaseerd op tijdelijke COVID-19 maatregelen die niet-essentiële reizen naar de EU beperken ter bescherming van de volksgezondheid. Referente, de familie in Nederland, stelde beroep in tegen deze besluiten, maar zonder geldige machtiging van eisers.
De rechtbank stelde vast dat het recht op beroep tegen visumweigering uitsluitend aan de aanvragers zelf toekomt, niet aan derden zoals familieleden. Omdat referente geen machtiging overlegde om namens eisers op te treden en niet zelf aanvrager was, voldeed het beroep niet aan de formele vereisten en werd het niet-ontvankelijk verklaard. Hierdoor kon de rechtbank niet inhoudelijk toetsen aan de COVID-19 gerelateerde afwijzing.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging en het niet instellen door de aanvragers zelf.