ECLI:NL:RBDHA:2020:11779
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens COVID-19 en volksgezondheidsrisico
Eiseres, met de Marokkaanse nationaliteit, verzocht op 19 september 2019 om een visum kort verblijf voor familiebezoek. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag aanvankelijk af wegens onvoldoende bewijs van het doel van het verblijf, de relatie met de referente, onvoldoende middelen van bestaan en onzekerheid over het vertrek uit Nederland.
Bij het bestreden besluit werd de aanvraag afgewezen op grond van artikel 32, lid 1, onder a) vi van de Visumcode en artikel 2, lid 21, van de Schengengrenscode vanwege de COVID-19 pandemie en de daarmee samenhangende tijdelijke beperkingen op niet-essentiële reizen naar de EU ter bescherming van de volksgezondheid.
Eiseres stelde dat verweerder een nieuwe afwijzingsgrond gebruikte zonder haar te horen, wat zou leiden tot een onzorgvuldige belangenafweging. De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was een nieuwe weigeringsgrond te hanteren en dat de bezwaarfase een volledige heroverweging inhoudt. De rechtbank bevestigde dat het coronavirus een epidemische ziekte is en dat de entry ban voor Marokko nog steeds van kracht was.
De rechtbank verwierp het betoog van eiseres dat verweerder misbruik maakte van de COVID-19 situatie om het bezwaar snel af te doen. Ook stelde de rechtbank dat eiseres niet in aanmerking kwam voor uitzonderingen op de entry ban. Tot slot oordeelde de rechtbank dat een hoorzitting niet nodig was omdat het bezwaar geen andersluidend besluit zou opleveren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van het visum kort verblijf wegens bedreiging van de volksgezondheid door COVID-19.