Verzoeker, een jongvolwassene geboren in 1999 met Marokkaanse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning om bij zijn Nederlandse vader te verblijven. De staatssecretaris wees deze aanvraag af omdat verzoeker niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en niet voldeed aan het jongvolwassenbeleid, aangezien hij als minderjarige niet deel uitmaakte van het gezin van zijn vader.
Verzoeker betoogde dat hij sinds 2013 weer contact heeft met zijn vader, die hem in 2015 erkende volgens Marokkaans recht en in 2018 op de Nederlandse geboorteakte bijschreef. Sinds november 2019 woont verzoeker in gezinsverband met zijn vader in Nederland. De voorzieningenrechter oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom verzoeker niet aan de voorwaarden van het jongvolwassenbeleid zou voldoen en dat er voldoende bewijs was van een hechte persoonlijke en financiële band.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, waarmee de uitzetting van verzoeker wordt verboden totdat op het bezwaar is beslist. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Er staat geen rechtsmiddel open tegen deze uitspraak.