ECLI:NL:RBDHA:2020:11854
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens vermoedelijke drugshandel
Verzoeker, huurder van een woning in Den Haag, werd geconfronteerd met een besluit tot sluiting van zijn woning voor zes maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De sluiting werd bevolen vanwege ernstige vermoedens van structurele drugshandel en verstrekking van drugs in de woning, gebaseerd op politieonderzoek, meldingen van buurtbewoners en verklaringen van bezoekers.
Verzoeker voerde verweer dat er geen sprake was van feitelijke handel in de woning en dat het ontvangen van dealers en gebruikers onvoldoende is om tot sluiting over te gaan. De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder op basis van de bestuurlijke rapportage en aanvullende informatie aannemelijk mocht achten dat in de woning drugs werden verkocht, afgeleverd of verstrekt.
De rechter benadrukte dat de woning bekend staat als drugspand en dat de overlast en veiligheid in de buurt ernstig werden aangetast. Tevens werd meegewogen dat een nabijgelegen pand reeds was gesloten op grond van dezelfde wetgeving en dat verzoeker niet tot gedragsverandering was overgegaan.
De voorzieningenrechter concludeerde dat een waarschuwing niet volstond en dat de sluiting noodzakelijk en evenredig was om de openbare orde, veiligheid en het woonklimaat te beschermen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wegens vermoedelijke drugshandel is afgewezen.