ECLI:NL:RBDHA:2020:11997

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 november 2020
Publicatiedatum
25 november 2020
Zaaknummer
NL20.14849
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 29 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd inzake dwangsom bij overschrijding beslistermijn verblijfsvergunning

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. De rechtbank had eerder het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, met een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding.

Verweerder nam het besluit uiteindelijk op 10 juli 2020 en stelde dat vanwege overmacht door coronamaatregelen geen dwangsom verschuldigd was. Eiser betwist dit en vordert alsnog toekenning van de dwangsom.

De rechtbank oordeelt dat zij niet bevoegd is om te beslissen over de verschuldigdheid van de dwangsom zoals bedoeld in artikel 8:55d Awb. Dit geschil dient te worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter. Daarom verklaart de rechtbank zich onbevoegd en komt zij niet toe aan inhoudelijke beoordeling.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld binnen zes weken.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de dwangsom en verwijst eiser naar de burgerlijke rechter.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.14849

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedatum] , van Turkse nationaliteit, eiser

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. J.E. Runhaar),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 2 december 2019 beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van 17 april 2019.
Bij uitspraak van 9 maart 2020 (NL19.29263) van deze rechtbank, zittingsplaats 's-Hertogenbosch is het door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en heeft de rechtbank verweerder opgedragen binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens is bepaald dat verweerder een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor iedere dag dat deze beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,00.
Bij besluit van 10 juli 2020 (het bestreden besluit) is de aanvraag van betrokkene tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft tevens beslist dat aan eiser geen dwangsom ingevolge artikel 8:55d, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is verbeurd.
Op 30 juli 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij brief van 25 augustus 2020 heeft eiser zijn beroep aangevuld.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
2. Eiser voert in beroep aan dat de rechtbank bij uitspraak van 9 maart 2020 heeft bepaald dat verweerder een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat de beslistermijn als bepaald in deze uitspraak wordt overschreden. Verweerder heeft de door de rechter bepaalde beslistermijn met 66 dagen overschreden. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat sprake is van een overmacht situatie als gevolg van de maatregelen die het kabinet heeft getroffen om de verspreiding van het coronavirus in te dammen en verweerder daarom geen dwangsom is verschuldigd. Eiser betwist dat sprake was van overmacht en verzoekt de rechtbank te bepalen dat eiser recht heeft op een dwangsom als bedoeld in artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Aan de bestuursrechter is geen bevoegdheid toegekend om een partij - in dit geval verweerder - te veroordelen tot betaling van een door de rechtbank aan haar uitspraak van 9 maart 2020 verbonden nadere dwangsom als bedoeld in artikel 8:55d van de Awb. Aan inhoudelijke beoordeling van het beroep wordt daarom niet toegekomen. Ter beslechting van een geschil over de verschuldigdheid van de desbetreffende dwangsom kan eiser zich tot de burgerlijke rechter wenden.
4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank onbevoegd om van het geschil kennis te nemen.
5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van N. Joacim, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.