Eiser, van Somalische nationaliteit, had een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend die door verweerder niet-ontvankelijk werd verklaard. Verweerder trok het bestreden besluit later in en bood een proceskostenvergoeding van €525 aan. Eiser handhaafde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening, waarbij partijen verdeeld waren over de hoogte van de proceskostenvergoeding: €525 of €1.050.
De rechtbank oordeelt dat verweerder zowel voor het beroep als voor het verzoek om voorlopige voorziening een proceskostenvergoeding van €525 moet betalen. De rechtbank wijst erop dat het beroep noodzakelijk was om tegen het besluit op te komen en het verzoek om voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen. Hoewel dezelfde rechtsbijstandverlener beide procedures voerde, zijn de werkzaamheden niet identiek.
Verweerder had een uitvoerig verweerschrift ingediend, maar de rechtbank achtte dit onbegrijpelijk gezien de geringe proceskosten en de capaciteitsproblemen bij verweerder. De rechtbank volgt niet de redenering van verweerder dat slechts één vergoeding verschuldigd is vanwege samenhang. De uitspraak bevestigt de toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de noodzaak van afzonderlijke vergoedingen voor beroep en voorlopige voorziening.