Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- de dagvaarding van 1 maart 2019 met producties 1 tot en met 13, aangebracht bij de sector kanton van de rechtbank Den Haag;
- de akte vermeerdering van eis van 14 juni 2019;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5;
- de akte aan de zijde van het Haags Ambulatorium met de productie 6;
- de op 13 augustus 2019 gehouden comparitie van partijen, waarvan aantekening gehouden is;
- het vonnis van de kantonrechter van 3 oktober 2019 waarbij de zaak is verwezen naar team Handel;
- de akte vermeerdering van eis van 28 mei 2020; en
- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 15 september 2020.
2.De feiten
9.Onderzoeksmiddelen
11.Interpretatie en beantwoording van de onderzoeksvragen
3.Het geschil
4.De beoordeling
“Graag hoor ik van [u] of u bereid bent met mij en mijn advocaat om tafel te zitten, zodat de zaak in der minne geschikt kan worden”volgt naar het oordeel de rechtbank dat [eiser] een schadevergoedingsvordering op het Haags Ambulatorium pretendeerde te hebben. Dat het Haags Ambulatorium dit ook als zodanig heeft begrepen volgt uit haar e-mail van 28 april 2014, waarin onder andere staat:
“De grond voor een schadevergoeding ontbreekt. U heeft niet inzichtelijk gemaakt waarop het door u gevorderde bedrag is gebaseerd.”Verder heeft [eiser] in een eerdere e-mail van 14 augustus 2012 (zie randnummer 2.18) reeds aan het Haags Ambulatorium medegedeeld dat hij verdere (de rechtbank begrijpt: juridische) stappen zal ondernemen als het Haags Ambulatorium niet zou reageren op zijn voorstel om de zaak in der minne te schikken.
2.685,00(2,5 punt × tarief € 1.074,00)