ECLI:NL:RBDHA:2020:1214

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2020
Publicatiedatum
14 februari 2020
Zaaknummer
SGR 19/1195
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. M. Meijers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Wet op de rechtsbijstandArt. 11 Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling samenhang bij vergoeding rechtsbijstand in asielzaken vader en dochter

Eiseres verleende rechtsbijstand aan een vader en zijn dochter in asielprocedures, waarbij de Raad voor Rechtsbijstand de vergoedingen voor deze bijstand op basis van samenhang had vastgesteld en de vergoedingen voor beroepsprocedures had ingetrokken. Eiseres betwistte de samenhang, stellende dat de bekering een individueel proces is en dat het feit dat het familie betreft onvoldoende is voor verknochtheid.

De rechtbank overwoog dat de wet en beleidsregels samenhang vereisen in de zin van inhoudelijke verknochtheid van de procedures. Uit de rapporten bleek dat vader en dochter zich beiden bekeerd hadden tot het christendom en dat de dochter via haar vader met het geloof in aanraking was gekomen. Incidenten zoals een inval bij het ouderlijk huis en bedreigingen vormden de reden voor vertrek uit Iran, wat de asielrelazen nauw verweven maakt.

De rechtbank verwierp het argument van eiseres dat de tijdsbesteding aan de zaak een rol moet spelen bij de vergoeding, aangezien de wet- en regelgeving dit niet toestaat. Ook verwees zij naar eerdere jurisprudentie die de samenhang bevestigt. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenvergoeding werd niet toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de vergoeding op basis van samenhang wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
Zaaknummer: SGR 19/1195

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: mr. G. van Dort).

Procesverloop

Bij besluiten van 14 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder in de zaken 3JE1447 en 3JE1446 de toevoegingen voor rechtsbijstand ten behoeve van asielaanvragen vastgesteld op basis van samenhang en in de zaken 3JP5586 en 3JP5587 de vastgestelde vergoedingen voor rechtsbijstand voor beroepsprocedures ingetrokken.
Bij besluit van 3 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft in 2016 en 2017 rechtsbijstand verleend aan [A] en [B] (hierna: rechtszoekenden) in verband met de door hen ingediende asielaanvragen. In dit kader zijn toevoegingen aangevraagd voor bijstand in de asielprocedure en – na afwijzing van de asielaanvragen – het daaropvolgende beroep.
2. Verweerder heeft de hoogte van de vergoeding van de aan rechtszoekenden verleende bijstand in de asielprocedure (de zaken 3JE1447 en 3JE1446) vastgesteld op basis van samenhang. Naar aanleiding van een steekproef zijn voorts de vastgestelde vergoedingen voor rechtsbijstand (de zaken 3JP5586 en 3JP5587) in de beroepsprocedures ingetrokken.
3. Eiseres kan zich met deze beslissing niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat in de betreffende zaken van verknochtheid geen sprake is, nu het proces van bekering een individueel proces betreft. Het enkele feit dat rechtzoekenden familie van elkaar zijn en de vader de dochter in aanraking heeft gebracht met het christendom is onvoldoende om van samenhangende problematiek te spreken. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 februari 2019 (NL19.11966).
4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
5. Gelet op de inhoud van de beroepsgronden richt het beroep zich naar het oordeel van de rechtbank enkel tegen het besluit om de asielaanvragen van rechtszoekenden als samenhangend aan te merken en de vergoeding aldus aan te passen. In dat kader overweegt de rechtbank als volgt.
5.1
Ingevolge artikel 37, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb), verstrekt de raad aan een rechtsbijstandverlener een subsidie, genoemd vergoeding, voor de door hem op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand.
Ingevolge artikel 11, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr), worden als samenhangende procedures beschouwd: zaken die gevoegd, gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend ter zitting als bedoeld in het eerste lid van artikel 7, zijn behandeld, en waarvoor één rechtsbijstandverlener is toegevoegd of meer dan één rechtsbijstandverlener mits zij deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en voor zover de zaken naar hun aard verknocht zijn.
In de Nota van Toelichting bij artikel 11, eerste lid, van het Bvr wordt opgemerkt dat de in dit artikel opgenomen eis dat zaken ‘naar hun aard verknocht zijn’ inhoudt dat sprake moet zijn van ‘inhoudelijke samenhang in die zin dat de procedures betrekking hebben op dezelfde problematiek’ (Stb. 1999/580, pagina 26 en 27). Voorop moet worden gesteld dat voor de beoordeling of de zaken naar hun aard verknocht zijn, deze niet identiek aan elkaar behoeven te zijn (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3374).
5.2
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van verknochtheid als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het Bvr en de vergoeding voor de verleende bijstand aldus kunnen toekennen op basis van samenhang. Van belang is dat uit de rapporten van de nader gehoren blijkt dat rechtszoekenden vader en dochter zijn die zich beiden hebben bekeerd tot het christendom, waarbij de dochter via haar vader met het christendom in aanraking is gekomen. Nadat de dochter op school ten overstaan van haar lerares het christendom heeft verdedigd, heeft bij het ouderlijk huis een inval plaatsgevonden. Bij deze inval zijn boeken en andere geschriften verband houdend met het christendom aangetroffen. De inval en de daaropvolgende bedreigingen gericht aan rechtzoekenden hebben de reden voor het vertrek uit Iran gevormd. Verweerder heeft in dat kader niet ten onrechte overwogen dat rechtzoekenden het proces van bekering individueel hebben doorlopen, maar beide zaken wel betrekking hebben op dezelfde, nauw samenhangende problematiek en met elkaar verweven asielrelazen.
5.3
De stelling ter zitting dat eiseres veel tijd heeft moeten besteden aan het bijstaan van rechtzoekenden en het om die reden onredelijk is om de toevoeging op basis van samenhang te verlenen, kan niet baten. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, bieden de wetgeving en het beleid geen ruimte om de aan de zaak besteedde tijd bij de beoordeling van de hoogte van de vergoeding te betrekken. De ter zitting aangehaalde beleidswijziging van verweerder ten aanzien van zogenoemde ‘Dublinzaken’ en het verzoek aan verweerder om ook in zaken als onderhavige het beleid te wijzigen, laten onverlet dat verweerder de geldende wet- en regelgeving juist heeft gehandhaafd. Dit geldt eveneens voor de verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 februari 2019 (NL19.11966).
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroon-Overdijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.