ECLI:NL:RBDHA:2020:12257
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring wegens niet voldoen aan weigeringsgronden Huisvestingsverordening Den Haag
Verzoeker woonde in een portiekwoning op de vierde etage en leed aan een dubbele hernia met ernstige pijnklachten, waardoor traplopen zeer moeizaam was. Hij had een eerdere voorrangsverklaring gekregen die niet werd verlengd omdat hij deze niet adequaat had benut. Vervolgens vroeg hij opnieuw een urgentieverklaring aan, die werd afgewezen omdat hij niet had voldaan aan de vereiste reactietermijn op het woningaanbod en de aanvraag binnen twee jaar na het vervallen van de eerdere verklaring was ingediend.
De Adviescommissie bezwaarschriften adviseerde het bezwaar ongegrond te verklaren, wat het college van burgemeester en wethouders overnam. Verzoeker stelde dat het college het vertrouwensbeginsel had geschonden en dat zijn gezondheidstoestand het zoekprofiel achterhaald maakte, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat het college de aanvraag terecht niet inhoudelijk had getoetst vanwege de wettelijke weigeringsgronden.
De voorzieningenrechter overwoog dat het college beleidsvrijheid heeft bij het toekennen van urgentieverklaringen en dat de hardheidsclausule slechts terughoudend kan worden toegepast. Gezien de schaarste aan woningen in Den Haag en de noodzaak om prioriteit te geven aan andere woningzoekenden, was het niet onredelijk dat het college de hardheidsclausule niet toepaste.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J.J.P. Bosman op 21 september 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.