ECLI:NL:RBDHA:2020:12557
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek geruisloze inbreng wegens niet voldoen aan voorwaarden Wet IB 2001
Eiseres, franchisenemer van een uitzendbureau, bracht haar onderneming in 2015 in een besloten vennootschap in. Zij stelde dat sprake was van een geruisloze inbreng, waardoor de stakingswinst niet belast zou moeten worden. Verweerder wees dit verzoek af omdat niet aan de wettelijke voorwaarden was voldaan.
De rechtbank stelde vast dat eiseres op het moment van inbreng niet volledig aandeelhouder was van de B.V. en dat de vennootschap een lege B.V. was zonder doorlopende activiteiten. Ook werd de koopsom als goodwill geactiveerd, wat wijst op een ruisende inbreng. De feitelijke en juridische omstandigheden voldeden niet aan de eisen van artikel 3.65 Wet IB 2001 en het bijbehorende Besluit.
De rechtbank concludeerde dat de aanslag inkomstenbelasting 2015 terecht is opgelegd en dat de stakingswinst terecht is belast. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aanslag inkomstenbelasting 2015 wegens niet voldoen aan de voorwaarden voor geruisloze inbreng.