AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond verklaring beroep tegen maatregel bewaring en intrekking verblijfsrecht EU-burger
Eiser, een burger van de Europese Unie, werd op 1 januari 2020 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelde dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken. Eiser voerde aan dat hij recht heeft op een vrije termijn na vertrek uit Nederland, maar verweerder betoogde dat eiser direct na vertrek weer terugkeerde zonder zich elders bestendig te vestigen.
Tijdens de zitting toonde eiser een filmpje als bewijs van verblijf in Frankfurt, maar kon niet aantonen hoe lang hij buiten Nederland was. Uit het dossier bleek dat eiser op 24 september 2019 een beschikking tot intrekking van zijn verblijfsrecht ontving en binnen 28 dagen Nederland moest verlaten. Eiser was echter kort daarna weer in Nederland en had meerdere strafrechtelijke veroordelingen.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was opgelegd omdat het doel van verwijdering is dat de persoon bestendig buiten Nederland verblijft. Kortdurende terugkeer ondermijnt dit doel, zeker gezien de strafrechtelijke feiten. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring en intrekking van het verblijfsrecht wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.5
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
[persoonsnummer]
(gemachtigde: mr. J. Singh),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: R. Jonkman).
Procesverloop
Bij besluit van 1 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.F. Lorga. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1983.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. Eiser voert aan dat hij een burger van de Europese Unie is. Hij moest eerder Nederland verlaten en daar heeft hij zich aan gehouden. Eiser is onrechtmatig in bewaring gesteld. Hij is niet ongewenst verklaard en hij bevindt zich hier in zijn vrije termijn.
4. Verweerder voert aan dat eiser geen vrije termijn heeft. Hij zal eerst moeten aantonen wie hij is, want hij is niet in bezit van een paspoort en hij heeft een aanzegging gehad dat hij Nederland moest verlaten. Dat heeft hij weliswaar gedaan, maar hij is direct weer teruggekomen. Hij heeft zich niet eerst voor een periode elders gevestigd. Gelet daarop heeft eiser nog geen recht op een vrije termijn.
5. Niet meer is in geschil dat eiser Nederland heeft verlaten. Ter onderbouwing daarvan heeft eiser ter zitting een filmpje op zijn telefoon getoond waaruit zou blijken dat hij met zijn vriendin in Frankfurt heeft verbleven. Daaruit blijkt overigens niet hoe lang eiser buiten Nederland is geweest. De rechtbank merkt daarbij wel op dat dit pas de eerste keer is dat eiser het filmpje ook aan verweerder heeft getoond. Eiser heeft dit niet tijdens zijn inbewaringstelling of kort daarna aan verweerder getoond. Uit het dossier blijkt verder het volgende. Eiser heeft op 24 september 2019 een beschikking uitgereikt gekregen waarin staat dat op 30 september 2019 dat zijn rechtmatig verblijf in Nederland is ingetrokken en hij binnen 28 dagen het land dient te verlaten. Dit omdat hij al langer dan 3 maanden in Nederland verblijft, geen zelfstandig inkomen heeft, niet beschikt over middelen van bestaan en geen onderwijs volgt. Ook is gebleken dat hij een zwervend bestaan leidt en al een aantal malen is aangehouden voor misdrijven, waaronder heling, rijden onder invloed van drugs zonder rijbewijs, diefstal, belediging en overlast plegen in verband met alcohol en/of drugs. Eiser stelt dat hij al enige tijd weg is uit Nederland. Hij kan dat behalve door middel van het getoonde filmpje ter zitting waaruit geen tijdspanne naar voren komt, niet aantonen omdat hij niet in het bezit is van een paspoort met de benodigde stempels. Hij stelt zelf nu een maand weer terug te zijn in Nederland. Op 31 december 2019 is eiser wederom aangehouden in het kader van het strafrecht. Ditmaal omdat hij in een winkel betaald heeft met vals geld. Vervolgens is eiser overgedragen aan de vreemdelingendienst.
6. Als eerste stelt de rechtbank vast dat de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, door eiser niet zijn betwist. De vraag die voorligt is of eiser zich nu in zijn vrije termijn bevindt als EU-burger of dat hij zich niet gehouden heeft aan de plicht Nederland te verlaten. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het laatste het geval is. Daarbij wordt verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die hierover prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie [1] . Verweerder heeft in die zaak hetzelfde standpunt ingenomen als in onderhavige zaak. Eiser heeft nadat hij een beschikking tot intrekking van zijn verblijfsrecht heeft gekregen Nederland verlaten, maar is kort daarna Nederland weer ingereisd. Met een verwijdering in het algemeen wordt beoogd dat de persoon die wordt verwijderd, gelet op de redenen van intrekking en vanwege zijn gedrag, bestendig verblijft buiten het grondgebied van de lidstaat dat het besluit tot verwijdering heeft genomen. Dat beoogde doel kan niet worden bereikt indien de burger van de Unie kort nadat hij het grondgebied van een lidstaat heeft verlaten of van dat grondgebied is verwijderd, dat grondgebied van die lidstaat weer kan binnenkomen op grond van artikel 5 vanPro de Verblijfsrichtlijn en op dat grondgebied kan verblijven op grond van artikel 6 vanPro die richtlijn. Zeker niet als die persoon zoals in dit geval direct weer in aanraking komt met het strafrecht. De verwijdering is juist bedoeld om dit soort situaties te voorkomen. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel niet onrechtmatig is opgelegd en zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van H.C. Hagen, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.