ECLI:NL:RBDHA:2020:12896
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlening zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
De rechtbank Den Haag behandelde op 9 december 2020 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 Wvggz Pro ten aanzien van betrokkene, geboren in 1961. Betrokkene erkende de noodzaak van verplichte zorg en stond achter het verzoek. De medische stukken en verklaringen toonden aan dat betrokkene lijdt aan middelgerelateerde en verslavingsstoornissen en neurocognitieve stoornissen, die leiden tot ernstig nadeel zoals lichamelijk letsel, verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang.
De rechtbank oordeelde dat er geen voldoende vrijwillige zorgmogelijkheden zijn en dat verplichte zorg noodzakelijk is om het ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke en fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren. De gevraagde zorgmaatregelen omvatten onder meer het toedienen van vocht, voeding, medicatie, medische controles, beperkingen in de vrijheid, bewegingsbeperking en opname in een accommodatie. De zorgmachtiging wordt verleend voor de duur van twaalf maanden, aansluitend op een eerdere voorwaardelijke Bopz-machtiging.
De rechtbank ging in op het verweer van de advocaat dat de machtiging slechts voor zes maanden kon worden verleend, maar concludeerde dat de spoedreparatiewet en de conversie van de Bopz-machtiging een termijn van twaalf maanden rechtvaardigen. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven en de zorg is evenredig en effectief. De beschikking is uitgesproken door rechter H. Wien en kan worden aangevochten door middel van cassatie.
Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor twaalf maanden met diverse medische en vrijheidsbeperkende maatregelen.