ECLI:NL:RBDHA:2020:12938
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaar tegen BPM-heffing wegens vermeende schending hoorplicht en onjuiste CO2-uitstootwaardering
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen op aangifte van BPM voor twee voertuigen, stellende dat zij te veel belasting heeft betaald en dat de hoorplicht door verweerder is geschonden. Tevens betoogde zij dat sprake is van een onrechtmatig verschil in heffingsmodaliteiten en een te hoge CO2-uitstootwaarde door de overgang van NEDC naar WLTP meetmethoden.
De rechtbank overweegt dat het bezwaar niet leidt tot aanhouding ondanks een lopende inbreukprocedure van de Europese Commissie. Het hoorgesprek vond plaats en eiseres is gehoord, waardoor de hoorplicht niet is geschonden. De bewijslast voor vermindering van de BPM ligt bij eiseres, die onvoldoende feiten heeft gesteld om te bewijzen dat zij te veel belasting heeft betaald of dat de CO2-uitstootwaarde onjuist is vastgesteld.
Verder oordeelt de rechtbank dat het rentenadeel wegens verschil in heffingsmomenten niet via het bestuursrecht kan worden geclaimd maar civielrechtelijk moet worden afgedwongen. De redelijke termijn is niet overschreden, en er is geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU. Het beroep wordt ongegrond verklaard en proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de BPM-heffing wordt ongegrond verklaard.