ECLI:NL:RBDHA:2020:12940
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaar tegen BPM-heffing en hoorplicht in belastingzaak
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen op aangifte van BPM voor vier voertuigen, stellende dat zij te veel belasting heeft betaald en dat de hoorplicht door verweerder is geschonden. De rechtbank overweegt dat eiseres de bewijslast draagt voor haar stellingen omtrent te veel betaalde BPM en dat de enkele stelling van schending van het Unierecht onvoldoende is.
De rechtbank stelt vast dat een hoorgesprek heeft plaatsgevonden en dat eiseres voldoende gelegenheid tot horen heeft gehad, waardoor geen sprake is van schending van de hoorplicht. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat het verschil in heffingsmodaliteiten en het rentenadeel niet tot vermindering van de BPM leiden en dat eiseres zich voor eventuele renteschade tot de civiele rechter moet wenden.
De redelijke termijn is niet overschreden en er is geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de BPM-heffing wordt ongegrond verklaard.