ECLI:NL:RBDHA:2020:1302
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardige vrees voor vervolging in Irak
Eiser, van Iraakse nationaliteit, vordert asiel op grond van bedreigingen aan zijn familie vanwege het werk van zijn broer bij de politie. Verweerder heeft de identiteit van eiser geloofwaardig geacht, maar de gestelde vrees voor vervolging niet, mede omdat de bedreigingen gericht waren op de broer en niet op eiser zelf.
Eiser verbleef tot juli 2015 in Irak, keerde in januari 2016 terug en plaatste in augustus 2018 foto's met locatie op Facebook, wat volgens verweerder niet past bij een persoon die vreest voor zijn veiligheid. Eiser stelt dat alle mannen in de familie doelwit zijn en dat het Facebookgebruik geen verwijt is.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom de vrees ongeloofwaardig is, onder meer vanwege het lange verblijf in Irak na de bedreigingen, het ontbreken van acute vluchtredenen en het Facebookbericht. De discrepanties in de aangifte en het ontbreken van concrete aanwijzingen voor achtervolging versterken dit oordeel.
De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag als ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende geloofwaardige vrees voor vervolging.