ECLI:NL:RBDHA:2020:13313

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 november 2020
Publicatiedatum
23 december 2020
Zaaknummer
AWB 20/6396
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 69 VwArt. 32 lid 1 onder a) ii VisumcodeVerordening (EG) nr. 810/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet-ontvankelijkverklaring bezwaar visum kort verblijf onterecht

Eiser, een Marokkaanse staatsburger, vroeg op 16 maart 2020 een visum voor kort verblijf aan voor familiebezoek. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvraag bij besluit van 24 maart 2020 af op grond van de Visumcode. Vervolgens verklaarde de minister het bezwaar van eiser bij besluit van 30 juli 2020 kennelijk niet-ontvankelijk, vanwege vermeende ongeldige machtiging en te late indiening.

Eiser stelde dat de weigering pas op 8 juli 2020 aan hem was medegedeeld en dat zijn gemachtigde het bezwaar rechtsgeldig had ingediend. De rechtbank oordeelde dat de handtekening onder de machtiging overeenkomt met die van eiser, zodat de machtiging rechtsgeldig is. Daarnaast heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat het primaire besluit op de voorgeschreven wijze en tijdig aan eiser is bekendgemaakt.

Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat het bezwaar te laat was ingediend. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en het betaalde griffierecht moet vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; verweerder moet een nieuw besluit nemen en het griffierecht vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 20/6396
v-nummer: [#]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], eiser,
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Bij besluit van 30 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet buiten zitting uitspraak op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser vraagt een visum voor kort verblijf bij zijn broer en schoonzus, mevrouw [naam 2]. De aanvraag dateert van 16 maart 2020. Het doel van zijn verblijf is familiebezoek.
2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser met het primaire besluit afgewezen op de grond genoemd in artikel 32, lid 1, onder a) ii van de Visumcode. [1]
3. In het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard om twee redenen. De eerste reden is dat niet vastgesteld kan worden of eiser mevrouw [naam 2] heeft gemachtigd om namens hem een bezwaarschrift in te dienen. De tweede reden is dat het bezwaarschrift niet op tijd is ingediend. De uitreiking van de weigeringsbeschikking kan niet op 8 juli 2020 hebben plaatsgevonden, omdat de Nederlandse vertegenwoordiging te Marokko tot nader order gesloten is.
4. Eiser heeft in bezwaar en beroep gesteld dat de weigering tot het verlenen van het visum pas op 8 juli 2020 aan hem is medegedeeld. In verband met Covid-19 is geen datum van uitreiking ingevuld.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Machtiging indienen bezwaarschrift
5. Onder de machtiging tot het indienen van een bezwaarschrift door mevrouw [naam 2] staat een handtekening die overeenkomt met de handtekening op het paspoort van eiser. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat eiser rechtsgeldig mevrouw [naam 2] heeft gemachtigd om namens hem een bezwaarschrift in te dienen.
Het door verweerder ingenomen standpunt dat de machtiging niet rechtsgeldig is, is daarom niet juist.
Tijdig indienen bezwaarschrift
6. In artikel 3:41, eerste lid, van de de Awb staat dat de bekendmaking van besluiten die tot één of meer belanghebbenden zijn gericht, gebeurt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
Uit artikel 69, eerste lid, van de Vw [2] volgt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift vier weken is. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn van vier weken door verweerder is ontvangen.
7. Het primaire besluit bevat geen gegevens waaruit blijkt op welke datum deze is verstuurd of uitgereikt aan eiser. Verweerder heeft in het bestreden besluit ook niets gezegd over de wijze waarop dit besluit aan eiser is bekendgemaakt. Het had op de weg van verweerder gelegen om dat te doen.
Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat, en zo ja wanneer, hij het primaire besluit van 24 maart 2020 op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt aan eiser. Dit betekent dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift heeft overschreden.
Conclusie
8. Verweerder heeft bij het bestreden besluit ten onrechte het bezwaar van eiser tegen het besluit van 24 maart 2020 niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder zal alsnog een inhoudelijke beslissing op het bezwaar van eiser moeten nemen.
De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen om het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178 (honderdachtenzeventig euro) aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is op 24 november 2020 gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan
binnenzes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (PB 2009, L 243, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 610/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 (PB 2013, L 182, blz. 1).
2.Vreemdelingenwet 2000.