Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.Procesverloop
- een zorgplan van 7 januari 2020;
- een indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van
Rechtbank Den Haag
Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht om een opvolgende rechterlijke machtiging voor de voortzetting van het verblijf van een vrouw met dementie in een woonzorghuis. De cliënt was niet bereid zich te laten horen tijdens de zitting en gaf aan niet in te stemmen met het verlengde verblijf.
De rechtbank nam kennis van diverse medische verklaringen en een zorgplan, en hoorde de advocaat van de cliënt, een waarnemend arts, de dochter van de cliënt en een verpleegkundige. Uit de stukken en de zitting bleek dat de cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening die leidt tot ernstig nadeel, waaronder ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang.
De rechtbank oordeelde dat voortzetting van het verblijf noodzakelijk en geschikt is om het ernstig nadeel te voorkomen, en dat er geen minder ingrijpende maatregelen beschikbaar zijn. Ondanks het verzet van de cliënt werd de machtiging voor de duur van twee jaar verleend. De beschikking werd uitgesproken op 3 februari 2020 en schriftelijk vastgesteld op 11 februari 2020.
Uitkomst: De rechtbank verleent een opvolgende rechterlijke machtiging voor voortzetting van het verblijf van de cliënt met dementie voor twee jaar.