Uitspraak
1.ECLI: NL:RBDHA:2020:6088
2.ECLI:NL:RBDHA:2019:3262.
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder erkent de overschrijding van de beslistermijn en beroept zich op overmacht vanwege de coronamaatregelen, stellende dat daardoor geen redelijke termijn kan worden vastgesteld.
De rechtbank volgt verweerder niet en verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat een beroep niet-ontvankelijk is alleen in specifieke gevallen, die hier niet aan de orde zijn. De rechtbank bepaalt dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn moet beslissen en legt een termijn van zestien weken vast, aansluitend bij het 8+8 wekenmodel gehanteerd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarnaast stelt de rechtbank een dwangsom vast van €100 per dag voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €7.500. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser, vastgesteld op €262,50, vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp.
De rechtbank wijst het beroep toe zonder zitting, gelet op de aard van de zaak en de coronamaatregelen. De uitspraak vernietigt het niet tijdig genomen besluit en verplicht verweerder tot het nemen van een besluit binnen de gestelde termijn.
Uitkomst: Verweerder moet binnen zestien weken beslissen en betaalt een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding, met een maximum van €7.500, plus proceskosten aan eiser.