ECLI:NL:RBDHA:2020:13678

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 november 2020
Publicatiedatum
4 januari 2021
Zaaknummer
AWB 20/6087
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 85 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij stopzetting leefgeld ongedocumenteerde vreemdeling

Eiser, een ongedocumenteerde vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, maakte bezwaar tegen de stopzetting van zijn leefgeld en opvang in het Medisch Opvangproject Ongedocumenteerden (MOO). Na een besluit van de gemeente Amsterdam dat de opvang per 1 april 2020 zou eindigen, werd het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang. Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing.

Tijdens de zitting op 30 november 2020, gehouden via Skype vanwege coronamaatregelen, oordeelde de rechtbank dat eiser geen procesbelang had omdat hij het leefgeld inmiddels weer ontving. De rechtbank overwoog dat het feitelijke resultaat dat eiser nastreefde reeds was bereikt, waardoor het beroep slechts een principieel belang had en daarom niet ontvankelijk was.

De rechtbank kende eiser vrijstelling van griffierecht toe wegens betalingsonmacht. Tevens veroordeelde zij verweerder in de proceskosten van eiser, omdat verweerder hangende het bezwaar het leefgeld had hervat, wat als een tegemoetkoming aan de bezwaren werd gezien. Het beroep werd derhalve niet-ontvankelijk verklaard en de proceskosten vastgesteld op €1.575.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang; verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/6087
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 30 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: [naam 1] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: [naam 2] ).

Procesverloop

Bij brief van 28 februari 2020 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn opvang in het Medisch Opvangproject Ongedocumenteerden (MOO) per 1 april eindigt.
Op 16 juli 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen deze brief niet-ontvankelijk verklaard.
Op 30 juli 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2020. Vanwege de maatregelen getroffen tegen het coronavirus heeft de zitting plaatsgevonden via een Skype-verbinding. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.
Met inachtneming van artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek op de zitting mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.575-;

Motivering

1. Eiser heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiser heeft in beroep gesteld dat het hem vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning niet is toegestaan in Nederland te werken of een uitkering te ontvangen en dat hij niet over middelen van bestaan beschikt. De rechtbank acht dit aannemelijk en is daarom van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht moet worden toegewezen. Eiser hoeft in deze procedure geen griffierecht te betalen.
2. Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling, ziet zij zich eerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft.
3. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland. Bij brief van 7 april 2016 heeft verweerder aan hem financiële ondersteuning geboden vanuit het Programma Vreemdelingen. Bij brief van 12 december 2019 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat deze financiële ondersteuning is gestopt met ingang van december 2018. Dit vanwege het feit dat eiser vanaf oktober 2018 begeleiding ontvangt vanuit het MOO, waarbij hij vanaf december 2018 financiële ondersteuning vanuit het MOO ontvangt.
4. Bij brief van 28 februari 2020 heeft het MOO namens verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn opvang en begeleiding eindigt per 1 april. De brief luidt verder, voor zover relevant, dat eiser een plek zal krijgen toegewezen binnen de 24-uurs opvang (bed-bad-brood) in de [locatie] in [plaatsnaam] .
5. Het bezwaar tegen deze brief heeft verweerder bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Verweerder legt uit dat de opvang in de [locatie] niet passend bleek, waarna aan eiser met ingang van 1 april 2020 toch weer leefgeld is geboden. Omdat eisers bezwaar zich richtte tegen het stopzetten van het leefgeld en hij dit inmiddels weer ontvangt, ontbreekt volgens verweerder het procesbelang.
6. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en voert aan dat verweerder hem is tegemoetgekomen in bezwaar door hem weer leefgeld te verstrekken. Het getuigt volgens hem dan van een onjuiste rechtsopvatting om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens het vervallen van het procesbelang. Inhoudelijk wil eiser weten wat de voorwaarden zijn voor het leefgeld, alsook de begin- en einddatum van de toekenning. Dit wil eiser zien, zodat hij het kan bestrijden.
7. De rechtbank overweegt dat naar vaste rechtspraak procesbelang aanwezig is wanneer het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser het door hem gewenste leefgeld ontvangt. Het nagestreefde feitelijke resultaat heeft hij dus behaald. De beoordeling of verweerder in het bestreden besluit de juridisch juiste conclusie hieraan heeft verbonden of de vraag of hij meer had moeten uitweiden over de voorwaarden van de toekenning, is in dit geval alleen nog van principiële aard. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt daarom een procesbelang in beroep.
9. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
10. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Eisers bezwaren richtten zich namelijk tegen de beëindiging van zijn leefgeld. Verweerder heeft vervolgens hangende bezwaar het leefgeld hervat. In zoverre is tegemoetgekomen aan eisers bezwaren. Verweerders stelling op de zitting dat dit niet gezien moet worden als een tegemoetkoming, heeft hij niet onderbouwd. Verweerder moet daarom de proceskosten aan eiser terugbetalen. De rechtbank stelt de proceskosten vast op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
mr. G.J. Tingen mr. A.K. Mireku
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Conc.: GJT
D:
VK

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.