ECLI:NL:RBDHA:2020:13772
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning niet-discriminerend voor houder EU-verblijfsrecht
Eiseres, houder van een verblijfsdocument als familielid van een Unieburger, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.50 van het Vreemdelingenbesluit 2000, welke werd afgewezen omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden, met name het ontbreken van een reguliere verblijfsvergunning onder een beperking voor verblijf als familie- of gezinslid.
De rechtbank stelt vast dat het niet toepassen van artikel 3.50 op houders van een EU-verblijfsrecht geen onderscheid maakt tussen Nederlanders en andere Unieburgers, aangezien deze laatste groep niet is uitgesloten van het aanvragen van een reguliere verblijfsvergunning. Dit volgt uit samenhang van artikelen 3.13, 3.14 en 3.15 van het Vb 2000.
Verder benadrukt de rechtbank het wezenlijke verschil tussen een EU-verblijfsrecht, dat het vrije verkeer van de Unieburger faciliteert, en een reguliere verblijfsvergunning die gezinshereniging beoogt. Het beroep van eiseres op schending van het non-discriminatiebeginsel en de hoorplicht wordt verworpen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het niet toepassen van artikel 3.50 Vb 2000 op houders van een EU-verblijfsrecht geen verboden onderscheid vormt.