ECLI:NL:RBDHA:2020:13879

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 december 2020
Publicatiedatum
8 januari 2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 7170
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning wegens strijd met bestemmingsplan en wijziging bouwplan

Eiser vroeg om een omgevingsvergunning voor de vervanging van een kiosk op een perceel in Den Haag. De aanvraag betrof een bouwvlak van 60 m2, terwijl het bestemmingsplan een bouwvlak van 39,9 m2 voorschrijft. Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, wees de aanvraag af omdat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan.

Eiser voerde beroep aan tegen dit besluit en stelde dat het bouwvlak volgens het bestemmingsplan 60 m2 bedroeg en dat hij in bezwaar zijn bouwplan had moeten mogen wijzigen omdat het om een wijziging van ondergeschikte aard ging. Tijdens de procedure liet eiser zijn eerste grond vallen en erkende dat het bouwvlak groter was dan 39,9 m2.

De rechtbank oordeelde dat de wijziging van het bouwvlak van 60 naar 39,9 m2 een ingrijpende wijziging is die het bouwplan wezenlijk verandert, waardoor niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken. Daarom was het terecht dat verweerder eiser niet in de gelegenheid stelde zijn aanvraag in bezwaar te wijzigen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/7170

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Geelhoed),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: E. Veldman).

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om een omgevingsvergunning afgewezen.
Bij besluit van 24 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat voor de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft op 23 januari 2018 een aanvraag ingediend voor vervanging van de op het perceel aan het [plein] [nummer] te [plaats] aanwezige kiosk. De aanvraag heeft betrekking op de activiteit bouwen, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de activiteit uitvoeren van werken of werkzaamheden geen bouwwerken zijnde, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, en op de activiteit gebruik van bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat voor de beoordeling of sprake is van strijd met het bestemmingsplan van belang is of de kiosk binnen het bouwvlak van de verbeelding blijft. Uit de verbeelding van het bouwvlak volgt dat de oppervlakte van de kiosk 39,9 m2 bedraagt. Nu eiser een omgevingsvergunning voor een kiosk met een bouwvlak van 60 m2 heeft aangevraagd, is sprake van strijd met het bestemmingsplan. Verweerder heeft de omgevingsvergunning daarom geweigerd.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe twee beroepsgronden aangevoerd. Ten eerste geldt op basis van het bestemmingsplan ‘Binckhorst-Noord’ een bouwvlak met een oppervlakte van 60 m2. Ten tweede heeft verweerder eiser ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld zijn bouwplan in bezwaar bij te stellen. Indien enige wijziging noodzakelijk is, gaat het in dit geval om een wijziging van ondergeschikte aard. Bij brief van 11 november 2020 heeft eiser verklaard dat hij zijn standpunt dat de oppervlakte van het bouwvlak 60 m2 bedraagt, verlaat. De oppervlakte is wel groter dan 39,9 m2, aldus eiser.
4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
4.1
Nu eiser zijn eerste beroepsgrond heeft laten vallen, zal de rechtbank uitsluitend beslissen over de tweede beroepsgrond, te weten dat verweerder eiser in de gelegenheid had moeten stellen zijn bouwplan in bezwaar bij te stellen omdat sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard.
4.2
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient de vraag of sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard per concreet geval te worden beantwoord. Indien de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, moet daarvoor een nieuwe aanvraag worden ingediend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:950).
4.3
De wijziging van de aanvraag betreft een vermindering van de oppervlakte van het bouwvlak van 60 naar 39,9 m2. Dit is een vermindering van 33%, waarmee het aangevraagde bouwwerk wordt gewijzigd van een nieuw, hoogwaardig paviljoen naar een kiosk. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een zodanig ingrijpende wijziging van de oorspronkelijke aanvraag dat niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken. Verweerder heeft eiser daarom terecht niet in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag te wijzigen. Voor zover eiser andere gronden heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding tot een ander oordeel.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P.G. van Egeraat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2020.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.