De zaak betreft een loonvordering van een werknemer die sinds 2006 bij CSU Personeel B.V. werkte, aanvankelijk op oproepbasis, later met een arbeidsduur van vier uur per week. In 2014 werd slechts loon voor twee uur per week betaald, wat CSU verklaarde door opname van onbetaald verlof. In juni 2015 werd de arbeidsomvang formeel aangepast naar twee uur per week. Vanaf mei 2016 stopte CSU met loondoorbetaling wegens vermeende niet-naleving van re-integratieverplichtingen tijdens ziekte.
De kantonrechter oordeelt dat de werknemer onvoldoende heeft gesteld dat hij recht heeft op loon voor vier uur per week in 2014 en wijst die vordering af. De wijziging van de arbeidsduur naar twee uur per week per 16 juni 2015 wordt geacht rechtsgeldig te zijn overeengekomen. Ten aanzien van de loondoorbetaling tijdens ziekte wordt de vordering voor de periode 20 mei tot 24 juni 2016 afgewezen wegens ontbreken van een deskundigenoordeel, maar toegewezen voor de periode daarna tot 12 april 2018, het einde van de loondoorbetalingsverplichting.
De werknemer vordert tevens uitbetaling van niet-genoten vakantie-uren. De kantonrechter oordeelt dat de wettelijke vakantie-uren niet zijn vervallen omdat de werkgever niet heeft voldaan aan haar informatieplicht, en de vordering wordt toegewezen op basis van een arbeidsomvang van twee uur per week. Daarnaast worden wettelijke rente, een gematigde wettelijke verhoging, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegewezen. CSU wordt veroordeeld tot het verstrekken van de gevorderde loonspecificaties.