ECLI:NL:RBDHA:2020:14015
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opschorting tenuitvoerlegging gevangenisstraf bij gratieverzoek
Eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden wegens onder andere medeplegen van Opiumwet-overtredingen. Na het doorlopen van hoger beroep en cassatie is hij opgeroepen voor de tenuitvoerlegging van zijn straf. Eiser heeft een gratieverzoek ingediend en verzocht om opschortende werking van de tenuitvoerlegging, evenals om omzetting van zijn straf in een taakstraf.
De rechtbank stelt vast dat het gratieverzoek geen opschortende werking van rechtswege heeft, omdat de tenuitvoerlegging reeds was aangevangen met de oproep in januari 2020. De minister heeft de bevoegdheid om de tenuitvoerlegging te schorsen, maar dit is alleen toegestaan bij bijzondere omstandigheden zoals levensbedreigende ziekte of expliciete steun aan het gratieverzoek, welke hier niet aanwezig zijn.
Eiser voerde aan dat het tijdsverloop sinds het plegen van de feiten en de mogelijke verstoring van het terugplaatsingstraject van zijn minderjarige zoon reden zijn voor schorsing. De rechtbank oordeelt dat deze omstandigheden onvoldoende zwaarwegend zijn en dat de minister terecht geen schorsing heeft verleend. Het verzoek tot omzetting van de straf in een taakstraf wordt eveneens afgewezen.
De vorderingen van eiser worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag op 1 oktober 2020.
Uitkomst: Het verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf wordt afgewezen.