Eiser werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Hij heeft 540 dagen van de onvoorwaardelijke straf uitgezeten, maar werd abusievelijk te vroeg vrijgelaten. Na afwijzing van een gratieverzoek werd hij opnieuw aangehouden om het resterende strafrestant van 190 dagen uit te zitten.
Eiser vorderde in kort geding dat de Staat wordt bevolen hem onmiddellijk vrij te laten en de executie van het strafrestant op te schorten, stellende dat het OM onrechtmatig handelt en het vertrouwen op volledige strafuitzetting werd geschonden. Hij wees op zijn hernieuwde maatschappelijke integratie en het ontbreken van een redelijk doel voor executie.
De rechtbank oordeelde dat het OM bevoegd is de strafrestant te executeren, omdat er een onherroepelijke titel bestaat en geen wettelijke uitzondering of EHRM-uitspraak die executieplicht uitsluit. De abusievelijke vroege vrijlating geeft geen vertrouwen op volledige strafuitzetting. De detentieverklaring en de Aanwijzing Executie bieden geen grond voor opschorting.
De vorderingen van eiser werden afgewezen, mede omdat kort geding zich niet leent voor declaratoire uitspraken en opschorting niet aan de orde is nu executie is aangevangen en geen nieuw gratieverzoek is ingediend. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten.