ECLI:NL:RBDHA:2020:14176
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens COVID-19 volksgezondheidsrisico
Eiser, een Tunesische staatsburger, diende op 11 oktober 2019 een aanvraag in voor een visum kort verblijf. De aanvraag werd aanvankelijk afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het doel en de omstandigheden van het verblijf, onvoldoende middelen van bestaan en een vermoeden van bedreiging van de openbare orde en volksgezondheid.
Bij het bestreden besluit handhaafde de Staatssecretaris de afwijzing, maar voerde als nieuwe grond aan dat eiser een bedreiging vormt voor de volksgezondheid in het kader van de COVID-19 pandemie. De Nederlandse overheid had per 19 maart 2020 de grenzen gesloten voor niet-essentiële reizen van buiten de EU, waaronder toerisme en familiebezoek, waarvoor eiser het visum had aangevraagd.
Eiser voerde aan dat hij geen corona had en dat de afwijzing ondeugdelijk was gemotiveerd en dat de hoorplicht was geschonden. De rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris terecht een nieuwe weigeringsgrond mocht hanteren en dat het afzien van een hoorzitting gerechtvaardigd was omdat een gehoor niets zou veranderen aan de beoordeling.
De rechtbank stelde vast dat COVID-19 als epidemische ziekte geldt en dat eiser niet viel onder uitzonderingen voor essentiële reizigers. De categorische weigering was daarom rechtmatig. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wegens COVID-19 volksgezondheidsrisico is ongegrond verklaard.