ECLI:NL:RBDHA:2020:14274
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure na beroep
Verzoeker, van Ivoriaanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 21 augustus 2020 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg daarnaast de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening samen met de hoofdzaak op 11 september 2020. Verzoeker was aanwezig en werd bijgestaan door een gemachtigde en tolk. De Staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De voorzieningenrechter overwoog dat omdat de hoofdzaak inmiddels in beroep was behandeld en daar een uitspraak op was gedaan (zaaknummer NL20.16113), een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Om die reden werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 24 september 2020 bekendgemaakt en er was geen rechtsmiddel tegen mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak in beroep is behandeld.