ECLI:NL:RBDHA:2020:14371
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument wegens onvoldoende bewijs identiteit en nationaliteit
Eiser verzocht om een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, gericht op verblijf bij zijn zoon, een Unieburger. Verweerder wees de aanvraag af wegens het ontbreken van onomstotelijk bewijs van identiteit en nationaliteit van eiser, en het niet aantonen van de familierechtelijke relatie met zijn zoon.
Eiser stelde dat hij in bewijsnood verkeerde omdat Servische autoriteiten hem geen identiteitskaart of paspoort verstrekken. Hij betoogde dat verweerder ten onrechte niet had vastgesteld dat hij een derdelander is en dat dit in strijd zou zijn met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en het nuttige effect van EU-burgerschap.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht van eiser kon verlangen dat hij zelf zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maakt, en dat verweerder niet verplicht was aanvullend onderzoek te doen. De aangeleverde documenten waren onvoldoende identificerend. Omdat identiteit en nationaliteit niet vaststonden, kon niet worden beoordeeld of eiser een derdelander is en of het niet verlenen van het verblijfsdocument gevolgen heeft voor het EU-burgerschap van zijn zoon.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.