ECLI:NL:RBDHA:2020:14392

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 september 2020
Publicatiedatum
9 maart 2021
Zaaknummer
NL20.15116
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming en ontbreken procesbelang asielzoeker

Eiser, een asielzoeker van Marokkaanse nationaliteit, heeft een aanvraag tot verblijfsvergunning asiel ingediend die door de staatssecretaris is afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser is vervolgens met onbekende bestemming vertrokken, waardoor het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (CoA) meldde dat zijn verblijfplaats onbekend is. De rechtbank onderzocht ambtshalve of eiser nog een rechtens te beschermen belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

De gemachtigde van eiser gaf aan dat eiser telefonisch had doorgegeven dat hij een inhoudelijke beoordeling wenst, maar er kon niet worden vastgesteld dat de gemachtigde daadwerkelijk contact heeft met eiser of weet waar hij verblijft. Eiser en zijn gemachtigde verschenen niet op de zitting en deden afstand van de mogelijkheid om het beroep nader toe te lichten.

De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die stelt dat bij vertrek met onbekende bestemming zonder contact te onderhouden met de gemachtigde, moet worden aangenomen dat de asielzoeker geen prijs meer stelt op de bescherming. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amersfoort Bestuursrecht zaaknummer: NL20.15116
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 2 september 2020 een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van het door eiser
ingediende verzoek, geregistreerd onder het zaaknummer NL20.15117, plaatsgevonden op 3 september 2020. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering van
3 september 2020, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989. De identiteit en nationaliteit van eiser worden door verweerder in twijfel getrokken. Echter, nu eiser niet is gehoord om de wisselende informatie toe te lichten, houdt verweerder de gegevens waarmee hij zijn asielaanvraag heeft ondertekend aan.
De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser een rechtens te beschermen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
2.1.
In het bestreden besluit heeft verweerder vermeld dat uit informatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (CoA) van 11 juli 2020 blijkt dat eiser met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. Bij aanvullend beroepschrift van 7 augustus 2020 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank te kennen gegeven dat eiser telefonisch heeft doorgegeven dat hij een inhoudelijke beoordeling van zijn asielaanvraag wenst.
2.2.
Door middel van het verweerschrift van 2 september 2020 heeft verweerder gesteld dat eiser geen belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep. Eiser is met onbekende bestemming vertrokken, terwijl het verweerder niet duidelijk is of eisers gemachtigde nog contact met eiser heeft, of eiser nog in Nederland verblijft en, zo ja, waar hij dan verblijft. Op grond van het voormelde concludeert verweerder dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming, zodat het beroep
niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Verweerder heeft daarbij gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 22 februari 20191.
2.3.
Ondanks dit standpunt van verweerder heeft eiser op 3 september 2020 volstaan met de enkele mededeling aan de rechtbank dat gemachtigde en eiser afstand doen van de mogelijkheid om het beroep/verzoek op zitting nader toe te lichten.
2.4.
In voormelde uitspraak van 22 februari 2019 heeft de ABRvS overwogen en geoordeeld dat, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de staatssecretaris te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit dient te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
2.5.
Het CoA heeft verweerder gemeld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Nu eisers gemachtigde in reactie op het verweerschrift van verweerder van 2 september 2020 alleen heeft laten weten dat geen gebruik zal worden gemaakt van de mogelijkheid het beroep/verzoek op zitting nader toe te lichten, kan niet worden vastgesteld dat eisers gemachtigde weet dát en, zo ja, waar eiser in Nederland verblijft en ook niet dat hij met eiser contact heeft over de procedure. Onder deze omstandigheden moet de rechtbank het er voor houden dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland, zodat hij geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
3. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramsaroep, rechter, in aanwezigheid van mr. C. ten Klooster, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:
08 september 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.