ECLI:NL:RBDHA:2020:14405
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij minderjarige dochter ondanks terugplaatsing
Eiseres vroeg een verblijfsdocument EU/EER aan voor verblijf bij haar minderjarige dochter. Dit verzoek werd afgewezen omdat eiseres niet voldeed aan de voorwaarde dat zij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verrichtte, mede omdat de dochter sinds januari 2018 uit huis was geplaatst en onder toezicht stond.
Eiseres voerde aan dat verweerder zijn onderzoeksplicht had geschonden door geen onderzoek te doen naar een mondelinge toezegging van de Raad voor de Kinderbescherming dat de dochter zou worden teruggeplaatst. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet onzorgvuldig had gehandeld, omdat geen schriftelijke bevestiging was overgelegd en eiseres geen uitstel had gevraagd om deze informatie alsnog aan te leveren.
Op 18 juli 2019 werd de dochter daadwerkelijk teruggeplaatst bij eiseres, waarna zij een verblijfsdocument ontving in een andere procedure. Desondanks bleef het procesbelang in deze zaak bestaan vanwege het verzoek om vergoeding van proceskosten. De rechtbank concludeerde dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en wees het beroep af.
Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 28 februari 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.