ECLI:NL:RBDHA:2020:14483
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie
Eiseres, een 72-jarige weduwe met de Jemenitische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland op grond van familie- en gezinsbanden met haar zoon, die een verblijfsvergunning asiel heeft. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen omdat er geen sprake zou zijn van een meer dan gebruikelijke emotionele afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar zoon.
De rechtbank oordeelde dat de feitelijke situatie, waaronder het feit dat eiseres en haar zoon sinds 2013 niet samenwoonden en dat het contact op afstand plaatsvond, onvoldoende bewijs leverde voor een beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Ook de medische stukken en financiële afhankelijkheid boden geen overtuigend bewijs dat eiseres niet zelfstandig kan functioneren zonder haar zoon.
De rechtbank verwierp het beroep op schending van de hoorplicht en stelde dat het afzien van horen in bezwaar gerechtvaardigd was. Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde daarmee het bestreden besluit van de Staatssecretaris.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat geen meer dan gebruikelijke emotionele afhankelijkheidsrelatie is vastgesteld.