ECLI:NL:RBDHA:2020:14494
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek heroverweging intrekking verblijfsvergunning asiel wegens onjuiste identiteit
Eiser had sinds 1994 tot 2002 een verblijfsvergunning asiel, die in 2002 werd ingetrokken omdat werd vastgesteld dat hij niet de persoon was die hij verklaarde te zijn, maar iemand anders met een andere nationaliteit. Eiser heeft sindsdien meerdere aanvragen gedaan om zijn verblijfsvergunning te herstellen, maar deze zijn steeds afgewezen en onherroepelijk verklaard.
In 2018 verzocht eiser om heroverweging van het intrekkingsbesluit uit 2002, stellende dat hij inmiddels met documenten heeft aangetoond dat hij wel degelijk de persoon is die hij beweert te zijn en niet de andere persoon. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die het oorspronkelijke besluit kunnen wijzigen.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende concreet heeft gemaakt welke bewijsstukken nieuw zijn en dat het belang van rechtszekerheid zwaarwegend is. Ook blijkt uit jurisprudentie dat schrijnende omstandigheden geen reden zijn voor heroverweging zonder nieuwe feiten. Het verzoek wordt daarom ongegrond verklaard.
De rechtbank wijst erop dat eiser nog steeds mogelijkheden heeft om aanvullend bewijs te leveren, zoals DNA-onderzoek, maar dat dit tot nu toe niet is gebeurd. Het beroep tegen het afwijzingsbesluit wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het verzoek tot heroverweging van het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.