ECLI:NL:RBDHA:2020:1457
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens nevenfunctie en vermeende partijdigheid
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter vanwege diens nevenfunctie als (plaatsvervangend) voorzitter van het College van beroep voor de examens (CBE) van de Technische Universiteit Delft. Verzoeker stelde dat deze nevenfunctie de onpartijdigheid van de rechter in de lopende bestuursrechtelijke zaak in gevaar brengt. Daarnaast werd de rechter verweten niet te hebben gereageerd op bewijslast door geen actie te ondernemen tegen het UWV.
De wrakingskamer overwoog dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat slechts bijzondere omstandigheden een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid kunnen rechtvaardigen. Het enkele feit van het bekleden van een nevenfunctie bij het CBE is onvoldoende om die vrees aan te nemen. Bovendien is er geen verband tussen de werkzaamheden van het CBE en de bestuursrechtelijke zaak bij de rechtbank.
Ook het verwijt dat de rechter niet op bewijslast zou hebben gereageerd, werd verworpen omdat processuele beslissingen in deze zaak geen grond vormen voor wraking. Verzoeker heeft geen concrete feiten aangevoerd die dit anders maken. De wrakingskamer wees het verzoek af en bepaalde dat de procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.