ECLI:NL:RBDHA:2020:14784
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering visum kort verblijf wegens onvoldoende binding met land van herkomst
Eiser vroeg een visum voor kort verblijf aan, dat door verweerder werd geweigerd wegens twijfel over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Verweerder stelde dat eiser onvoldoende sociale en economische binding met Gambia had, waardoor terugkeer niet gewaarborgd was. Eiser voerde aan onterecht niet te zijn gehoord in de bezwaarprocedure. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was en dat de hoorplicht was geschonden.
De rechtbank onderzocht de sociale en economische binding van eiser met Gambia. Hoewel eiser gehuwd is en een vaste aanstelling als ambulancechauffeur heeft, kon hij niet aannemelijk maken dat hij een regelmatig en substantieel inkomen heeft en vrijelijk over de gelden op zijn bankrekening kan beschikken. Ook ontbraken bewijsstukken van het bestaan van twee kinderen. Hierdoor was de twijfel over het voornemen tot tijdige terugkeer gerechtvaardigd.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Er is geen hoger beroep mogelijk tegen deze uitspraak.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.