ECLI:NL:RBDHA:2020:14794
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen inreisverbod wegens visumoverschrijding
Verzoekster, afkomstig uit China en verblijvend in het Verenigd Koninkrijk op basis van een visum, kreeg op 3 januari 2020 een inreisverbod van één jaar opgelegd wegens overschrijding van de vrije termijn van haar Schengenvisum met meer dan drie dagen. Zij stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht op 3 augustus 2020 om een voorlopige voorziening om het inreisverbod te schorsen, omdat zij vanwege corona-maatregelen alleen via de EU terug naar China kan reizen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft, omdat het inreisverbod conform de wetgeving en beleidsregels is opgelegd. Bovendien was onvoldoende onderbouwd waarom verzoekster niet in de transitruimte van Helsinki kon verblijven tijdens haar tussenstop. Ook had zij geen verzoek tot opheffing van het inreisverbod bij de staatssecretaris ingediend, wat wel de juiste weg is.
Gelet op de termijn tot de geboekte vlucht op 1 september 2020 was het niet onredelijk om van verzoekster te verlangen dat zij eerst een verzoek bij de staatssecretaris indient. Het belang van verzoekster woog niet zwaarder dan het belang van handhaving van het inreisverbod. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het inreisverbod wordt afgewezen wegens gebrek aan redelijke kans van slagen en onvoldoende zwaarwegend belang.