ECLI:NL:RBDHA:2020:14871
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking verblijfsvergunning wegens ontbreken procesbelang
De zaak betreft het beroep van eiser tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot intrekking van zijn verblijfsvergunning per 12 februari 2019, nadat hij was gestopt met zijn studie en was uitgeschreven bij de Hogeschool Utrecht. Na een bezwaarprocedure werd het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser stelde beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
Tijdens de procedure bleek dat eiser op 19 februari 2020 was uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen vanwege emigratie, een intrekking die niet werd bestreden. De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende concreet had gemaakt wat zijn belang was bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit, mede omdat het verblijfsgat en toekomstige verblijfsrecht onzeker zijn. De enkele stelling van overmacht wegens ziekte van zijn vader was onvoldoende onderbouwd.
Gezien het ontbreken van procesbelang verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter L.A. Banga op 29 oktober 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.