Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Mocht verweerder nader onderzoek doen?
a) eiseres en haar dochter staan niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen (Brp) op het adres [adres] in [woonplaats] . Eiseres stelt daar sinds juni 2018 samen te wonen met referent;
d) eiseres heeft twee keer eerder tevergeefs geprobeerd verblijf te krijgen binnen Europa. Ze heeft eerder een verblijfsaanvraag ingediend in België. Ze heeft twee keer een asielaanvraag ingediend. Deze aanvragen hebben niet geleid tot een verblijfsvergunning;
f) eiseres heeft voor deze aanvraag illegaal in Nederland verbleven.
Verder heeft eiseres bij brief van 3 juni 2020 meerdere stukken overgelegd. Zij heeft erop gewezen dat referent en zij zich in maart 2018 al tot de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Utrecht (abs) hebben gewend om [dochter] door referent te laten erkennen. De abs weigerde een akte van erkenning op te maken, omdat sprake zou zijn van schijnerkenning. Eiseres heeft zich vervolgens tot de rechtbank gewend en de rechtbank Midden-Nederland heeft de Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland (RvdK) verzocht een onderzoek te verrichten. Dat onderzoek is neergelegd in het rapport van 4 juli 2019. Uiteindelijk heeft de rechtbank Midden-Nederland bij beschikking van 6 december 2019 de abs gelast om een akte van erkenning op te maken. De erkenning heeft inmiddels op 29 april 2020 plaatsgevonden. Het voorgaande weerlegt volgens eiseres de aanname van verweerder dat het om een schijnrelatie gaat.
3 juni 2020 overgelegde stukken niet bij de beoordeling kunnen worden betrokken, gelet op de ex tunc toetsing in beroep. Subsidiair heeft verweerder gesteld dat niet valt in te zien waarom eiseres de stukken niet in de bezwaarfase heeft overgelegd. Verweerder heeft zich meer subsidiair op het standpunt gesteld dat de enkele erkenning van de dochter van eiseres door referent niet kan afdoen aan de vaststelling dat eiseres en referent tegenstrijdig hebben verklaard over essentiële zaken over hun gestelde relatie. Van partners in een relatie mag immers worden verwacht dat zij gelijkluidend verklaren over essentiële onderdelen die zien op zaken zoals het verloop van de eerste ontmoeting, de eerste afspraak, het verloop van hun relatie en over het dagelijks leven. Verweerder heeft verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 7 april 2016 [6] .
Beslissing
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.