ECLI:NL:RBDHA:2020:14896

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 november 2020
Publicatiedatum
28 juni 2021
Zaaknummer
AWB 20_4443
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:81 AwbArt. 6:16 AwbArt. 73 lid 2 Vw
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak

Verzoekster, van Marokkaanse nationaliteit, had een aanvraag gedaan tot verlenging van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid. Deze aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen en haar verblijfsvergunning werd met terugwerkende kracht ingetrokken per 16 oktober 2017.

Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om haar uitzetting te voorkomen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de werking van het bestreden besluit niet automatisch geschorst wordt en dat de Staatssecretaris niet bevoegd is de uitzetting op te schorten.

Omdat de Staatssecretaris zich niet verzette tegen het verzoek, besloot de voorzieningenrechter het verzoek toe te wijzen en verbood de uitzetting tot vier weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van verzoekster.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoekster wordt verboden tot vier weken na beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/4443

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 november 2020 in de zaak tussen

[verzoekster] , geboren op [1963] , van Marokkaanse nationaliteit, verzoekster
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P. le Heux),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Meier).

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 27 februari 2020 tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ’ afgewezen. Tevens heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ’ ingetrokken, met terugwerkende kracht met ingang van 16 oktober 2017.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak gedaan zonder het houden van een zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan – onder meer – indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Bij schrijven van 29 september 2020 heeft verweerder medegedeeld zich niet te verzetten tegen toewijzing van hetgeen in het verzoekschrift van 1 juni 2020 is verzocht.
3. De voorzieningenrechter overweegt dat de werking van het bestreden besluit van 20 april 2020 ingevolge artikel 6:16 van Pro de Awb in samenhang met artikel 73, tweede lid, van de Vw niet geschorst wordt, ook niet indien tegen dat besluit bezwaar is gemaakt. Tevens overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder ingevolge de Awb noch de Vw zelf de bevoegdheid heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit- met de aanzegging aan verzoekster Nederland te verlaten- op te schorten.
4. Nu tussen partijen niet langer in geschil is dat van uitzetting van verzoekster behoort te worden afgezien, bestaat aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
5. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,-
(1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).
6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

BeslissingDe voorzieningenrechter:- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;- verbiedt verweerder verzoekster uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 525,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. B.L. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2020.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.