ECLI:NL:RBDHA:2020:15028
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op voortgezet verblijf op grond van artikel 3.50 Vreemdelingenbesluit
Eiseres 1 en haar kinderen, eiseres 2 en eiseres 3, hadden verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd die werden ingetrokken nadat de relatie van eiseres 1 met haar partner was verbroken. Eiseres 1 had een aanvraag gedaan voor wijziging van de verblijfsvergunning op humanitaire gronden, die werd afgewezen. Eiseressen stelden dat aan eiseres 2 en 3 een recht op voortgezet verblijf toekwam op grond van artikel 3.50 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De rechtbank oordeelde dat er geen aanvraag voor voortgezet verblijf was ingediend door eiseres 2 en 3 en dat het bezwaarschrift niet als zodanig kon worden beschouwd. Verweerder was daarom niet verplicht om ambtshalve te toetsen of aan de voorwaarden van artikel 3.50 was voldaan. Ook het beroep op schending van de hoorplicht werd verworpen omdat verweerder op grond van de Algemene wet bestuursrecht mocht afzien van het horen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiseressen tegen de intrekking van hun verblijfsvergunningen wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.