Eiser, met Surinaamse nationaliteit, had een verblijfsvergunning als gezinslid, die werd ingetrokken nadat de relatie met zijn ex-partner was verbroken. Hij vroeg wijziging van het verblijfsdoel naar niet-tijdelijke humanitaire gronden wegens huiselijk geweld. Verweerder wees dit af omdat eiser niet voldeed aan de bewijsvereisten uit het beleid.
De rechtbank stelde vast dat eiser geen relatie meer had met zijn ex-partner en dat het geschil zich richtte op de vraag of het huiselijk geweld aannemelijk was gemaakt. Eiser overhandigde diverse verklaringen en een aangifte, maar deze voldeden volgens verweerder niet aan de objectieve bewijscriteria, zoals recente medische verklaringen en politieonderzoek.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom het bewijs onvoldoende was en dat eiser niet had aangetoond dat het huiselijk geweld tot de relatiebreuk had geleid. Ook het beroep op schending van de hoorplicht faalde. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.