Eiseres diende op 29 maart 2019 een aanvraag in voor een voorrangsverklaring, welke door verweerder bij besluit van 12 juni 2019 werd afgewezen. Eiseres maakte bezwaar, maar diende dit pas op 30 december 2019 in, ruim na de wettelijke termijn van zes weken. Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening en het ontbreken van verschoonbare omstandigheden.
Eiseres voerde aan dat familieomstandigheden haar verhinderden het bezwaar tijdig in te dienen. De rechtbank oordeelde echter dat deze omstandigheden onvoldoende waren om de termijnoverschrijding te verontschuldigen, mede omdat eiseres iemand anders had kunnen machtigen om bezwaar te maken.
De rechtbank baseerde zich op de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin de termijn en voorwaarden voor bezwaar zijn vastgelegd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.