Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing door verweerder na een eerdere uitspraak die verweerder verplichtte binnen twee weken te beslissen op zijn aanvraag. Verweerder had op 4 mei 2020 alsnog een inwilligend besluit genomen, waardoor het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk werd verklaard.
Echter stelde eiser dat na het verstrijken van de nieuwe beslistermijn op 24 februari 2020 een tweede ingebrekestelling was gestuurd, waarop verweerder opnieuw niet binnen twee weken had beslist. De rechtbank oordeelde dat deze tweede ingebrekestelling geldig was en dat verweerder daardoor opnieuw een bestuurlijke dwangsom had verbeurd.
De rechtbank stelde de hoogte van de dwangsom vast op €1.442,- voor de periode van 9 maart tot 20 april 2020 en veroordeelde verweerder tot betaling hiervan. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van een deel van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €262,50.
De rechtbank nodigde partijen niet uit voor een zitting omdat dit niet nodig was en baseerde zich op relevante wetsartikelen en jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De uitspraak bevestigt dat een bestuursorgaan meerdere keren een bestuurlijke dwangsom kan verbeuren bij herhaald niet tijdig beslissen.