ECLI:NL:RBDHA:2020:15219
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000
De rechtbank Den Haag behandelde op 28 december 2020 het beroep van eiser tegen het besluit van 18 december 2020 waarbij de maatregel van bewaring werd opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser werd bijgestaan door een gemachtigde en er was een tolk aanwezig.
Verweerder had de maatregel opgelegd vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. Als zware gronden werden genoemd dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen en zich aan toezicht had onttrokken. Lichte gronden betroffen het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.
De rechtbank stelde vast dat eiser deze gronden niet betwistte, waardoor deze als vastgesteld konden worden beschouwd. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht geen lichter middel dan bewaring had toegepast, mede omdat eiser geen paspoort had en niet zelfstandig kon terugkeren naar Albanië, ondanks dat hij geld had om een ticket te kopen. Ook eerdere illegale pogingen om naar Engeland te reizen en het ontbreken van bijzondere omstandigheden die bewaring onevenredig zouden maken, speelden mee.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.