ECLI:NL:RBDHA:2020:15303

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 september 2020
Publicatiedatum
21 januari 2022
Zaaknummer
NL20.17148
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96, derde lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

Eiser, een vreemdeling met de Marokkaanse nationaliteit, maakt bezwaar tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 28 mei 2020 door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelt dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is omdat de Marokkaanse autoriteiten niet reageren op zijn laissez passer-aanvraag en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.

Verweerder voert aan dat het coronavirus slechts een tijdelijk beletsel vormt en dat het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten nog loopt. Er wordt regelmatig gerappelleerd en maandelijks vinden vertrekgesprekken plaats met eiser. Er is nog geen reisdocument beschikbaar, waardoor het boeken van een vlucht nog niet mogelijk is.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig werd bevonden. Nu is alleen de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel aan de orde. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende voortvarend handelt en dat er geen feiten of omstandigheden zijn die het opheffen van de maatregel rechtvaardigen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.17148
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. K. Ramdhan), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. de Vita).

Procesverloop

Verweerder heeft op 28 mei 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [2000].
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 25 augustus 2020 (in de zaak NL.2015340) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die
uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Er is nog steeds geen laissez passer (lp) verstrekt en dit zal volgens eiser hoogstwaarschijnlijk niet op korte termijn gebeuren. Daarnaast stelt eiser dat de Marokkaanse autoriteiten niet reageren op zijn lp-aanvraag. In elk geval is niet gebleken van aanknopingspunten, waaruit afgeleid kan worden dat de diplomatieke vertegenwoordiging van Marokko wel lp’s gaat verstrekken ondanks de coronamaatregelen. Ook blijkt niet dat Marokko de coronamaatregelen heeft versoepeld, zodat vreemdelingen uitgezet kunnen worden. Verweerder geeft volgens eiser ten onrechte geen inzicht in de te verwachten termijn waarbinnen hij uitgezet kan worden en hoe omgegaan wordt met het uitzettingsbeleid in het kader van de toename van de coronagevallen en de invoering van nieuwe coronamaatregelen.
5. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Volgens verweerder maken de maatregelen rondom het coronavirus niet dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is komen te ontbreken. Het coronavirus is een tijdelijk beletsel. Bovendien is er nog geen reisdocument voor eiser beschikbaar, waardoor het boeken van een vlucht op dit moment nog niet aan de orde is. Verweerder merkt op dat het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten nog altijd loopt en dat verweerder regelmatig rappelleert in verband met de afgifte van een lp voor eiser, hetgeen ook volgt uit de voortgangsgegevens van 18 september 2020. In combinatie met het feit dat maandelijks vertrekgesprekken met eiser worden gevoerd, stelt verweerder dat voldoende voortvarend wordt gewerkt aan de uitzetting van eiser. Daarnaast merkt verweerder op dat de Marokkaanse autoriteiten niet te kennen hebben gegeven dat zij geen lp aan eiser zullen afgeven en dat verweerder afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten. De stelling van eiser, dat het niet waarschijnlijk is dat op korte termijn een lp wordt verstrekt, is naar mening van verweerder niet nader onderbouwd en kan dan ook niet tot de conclusie leiden dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.
6. De rechtbank verwijst allereerst naar haar eerdere uitspraak van 25 augustus 2020 (in de zaak NL20.15340), rechtsoverweging 6. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat het coronavirus een tijdelijk beletsel is en dat niet is gebleken dat dit zo lang zal duren dat uitzetting binnen een redelijke termijn niet mogelijk is. Verweerder heeft er voorts terecht op gewezen dat het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten nog loopt. Verweerder heeft laatstelijk op 2 september 2020 gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten in verband met de afgifte van een lp. De rechtbank overweegt hierbij dat verweerder met betrekking tot de afgifte van een lp afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat deze autoriteiten op voorhand te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken aan eiser. Verder overweegt de rechtbank dat de vraag naar eventuele feitelijke belemmeringen voor uitzetting, pas aan de orde komt als de vlucht kan worden geboekt. Daarvoor is het eerst noodzakelijk dat een lp is afgegeven, wat nu nog niet het geval is. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 15 september 2020 blijkt dat eiser voornemens is om op zoek te gaan documenten om zijn identiteit te kunnen vaststellen. Tot op heden is niet gebleken dat eiser documenten heeft overgelegd waaruit zijn identiteit en/of nationaliteit blijkt, terwijl op eiser de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is of dat
verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Eisers beroepsgronden slagen daarom niet.
7. Eiser voert vervolgens aan dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen, omdat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd.
8. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om de bewaring op te heffen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van N.J.R. Kalaykhan, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 september 2020

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.