Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.
In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het bestreden besluit deels niet deugdelijk is gemotiveerd. Verweerder heeft immers, tegen de achtergrond van de in dit licht opgevoerde beroepsgrond, niet inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen zijn van de in de omgevingsvergunning verleende activiteit voor de leefomgeving van eiseres.
Bij de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld het geconstateerde gebrek binnen zes weken te herstellen. Verweerder heeft vervolgens aangegeven het geconstateerde gebrek te willen herstellen. Met de verlengingsuitspraak heeft de rechtbank voornoemde termijn op verzoek van verweerder verlengd met achttien weken, ingaande na de verzending van die uitspraak (op 15 april 2020). Deze termijn is op 19 augustus 2020 verstreken. De rechtbank heeft verweerder vervolgens bij brief van 2 september 2020 gevraagd de rechtbank te informeren inzake de voortgang van het (aangekondigde) herstel van het gebrek, alsmede inzake het gegeven dat de termijn waarbinnen dit herstel zou moeten plaatsvinden, is verstreken. Nadat een reactie van verweerder uitbleef, heeft de rechtbank op 17 september 2020 telefonisch contact gezocht met de gemachtigde van verweerder en gewezen op de brief van 2 september 2020. Haar is toen een een schriftelijke reactie in het vooruitzicht gesteld. De rechtbank heeft vervolgens evenwel niet meer van verweerder vernomen, waarna zij het onderzoek heeft gesloten.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet hersteld, zodat de rechtbank het beroep gegrond verklaart. De rechtbank vernietigt dan ook het bestreden besluit omdat dit niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank ziet geen mogelijkheid zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. De rechtbank ziet onder de gegeven omstandigheden evenmin aanleiding een tweede bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder moet dus een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak.
Nu de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).