Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij,
Rechtbank Den Haag
Op 21 mei 2018 is een fietser ten val gekomen op de Westeinde in de gemeente Waarder, waarbij hij letsel opliep. De gemeente had in maart 2018 reparaties uitgevoerd met koud asfalt om scheuren te dichten, in afwachting van een grootschalige reparatie in 2019. De fietser stelde de gemeente aansprakelijk op grond van artikel 6:174 BW Pro wegens een gebrek aan de weg en op grond van artikel 6:162 BW Pro wegens nalatigheid na meldingen van eerdere valpartijen.
De rechtbank oordeelde dat de door de fietser overgelegde foto's en getuigenverklaringen onvoldoende bewijs leverden voor een ondeugdelijke weg. Er was geen sprake van een hoogteverschil van 20 cm en de reparaties waren zichtbaar en correct uitgevoerd. De getuigen konden niet met zekerheid de oorzaak van de val aanwijzen en slechts de fietser was gevallen, wat wijst op het ontbreken van een evident gebrek.
Verder kon niet worden vastgesteld dat de gemeente bekend was met valpartijen na de reparaties, aangezien de wegbeheerder verklaarde dat er tussen maart en mei 2018 geen meldingen waren ontvangen. Ook de ambulancebezoeken konden niet worden gekoppeld aan een gebrek aan de weg. Daarom werd de aansprakelijkheid van de gemeente afgewezen. De kosten van de procedure werden ambtshalve begroot op €881,00 en de vordering tot kostenvergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de aansprakelijkheidsvordering van de fietser tegen de gemeente af wegens onvoldoende bewijs van een gebrek aan de weg en causaliteit met het ongeval.