Op 8 januari 2019 schoot de verdachte zijn buurman in Den Haag dood na een discussie over het kijken naar zijn woning. De man vuurde meerdere kogels af met een geladen revolver die hij bij zich droeg. Het slachtoffer overleed aan drie schotwonden, waarvan één fataal was.
De verdachte gaf aan het wapen ter verdediging te hebben gedragen uit angst voor het slachtoffer, maar de rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een gerechtvaardigde verdediging. Het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen omdat er geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding was en de verdachte zich had kunnen onttrekken aan de situatie.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van moord wegens gebrek aan bewijs voor voorbedachte raad, maar verklaarde doodslag en het bezit van een verboden vuurwapen wettig en overtuigend bewezen. Bij de strafoplegging werd rekening gehouden met de ernst van het feit, het gebruik van het vuurwapen bij een schijnbaar onschuldige confrontatie, het leed van de nabestaanden en de maatschappelijke onrust.
Hoewel de verdachte zich uit eigen beweging meldde bij de politie, het wapen inleverde en bekende, toonde hij geen berouw en probeerde hij het slachtoffer in een kwaad daglicht te stellen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 11 jaren op, waarbij de tijd in voorarrest in mindering wordt gebracht.
Daarnaast werden alle inbeslaggenomen wapens en munitie onttrokken aan het verkeer, waaronder het gebruikte revolver en andere wapens die de verdachte bezat.