ECLI:NL:RBDHA:2020:1920
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek rechterlijke machtiging tot opname en verblijf bij licht verstandelijke beperking
Cliënte, een jongvolwassene met een licht verstandelijke beperking en diabetes, verbleef in een klinische accommodatie. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) vroeg om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden op grond van de Wet zorg en dwang (Wzd).
Tijdens de zitting gaf cliënte aan dat ze de huidige locatie niet prettig vindt en liever bij haar ouders zou verblijven totdat een begeleid wonen-plek beschikbaar is. De behandelaar bevestigde dat de huidige locatie niet ideaal is, maar noodzakelijk totdat de BW-plek gereed is. Cliënte heeft een geschiedenis met Jeugdzorg en kampt met medische en gedragsproblemen, waaronder het niet goed toedienen van insuline wat levensbedreigend kan zijn.
De rechtbank stelde vast dat de medische verklaring aan de wettelijke eisen voldoet en erkende het ernstig nadeel door de verstandelijke beperking. Echter, gezien de mogelijkheid van ambulante behandeling thuis bij de ouders en de geplande BW-plek, oordeelde de rechtbank dat het verzoek tot machtiging niet noodzakelijk is en wees het af.
De rechtbank benadrukte het belang van goede ondersteuning in de overbruggingsfase en dat cliënte zich moet inspannen om terugval en onvrijwillig verblijf te voorkomen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot rechterlijke machtiging tot opname en verblijf wordt afgewezen omdat ambulante behandeling thuis mogelijk is totdat een begeleid wonen-plek beschikbaar is.