ECLI:NL:RBDHA:2020:2139
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling BPM-heffing en waardering margeauto’s zonder ex-rentalkorting
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de BPM-heffing op de registratie van meerdere margeauto’s, waarbij zij stelde dat de waardevermindering moest worden berekend op basis van ex-rental voertuigen. De rechtbank oordeelt dat het zijn van een ex-rental een concreet onderscheidend kenmerk is dat niet is aangetoond voor de betrokken auto’s. Daarnaast heeft eiseres nagelaten te concretiseren hoe hoog de waardevermindering zou zijn geweest.
Verder heeft eiseres aangevoerd dat de verplichte voorafgaande betaling van BPM in strijd is met het Unierecht, omdat dit een concurrentienadeel zou opleveren ten opzichte van binnenlandse gebruikte auto’s. De rechtbank volgt dit niet en wijst erop dat rekening wordt gehouden met een termijn van vijf werkdagen tussen aangifte en registratie en een leeftijdskorting, waarbij de bewijslast bij eiseres ligt.
Eiseres heeft ook een rentenadeel gesteld en een verzoek gedaan tot proceskostenvergoeding en vermindering van het griffierecht. De rechtbank stelt dat rentenadeel niet aan de belastingrechter toekomt maar aan de civiele rechter en dat het griffierecht geen belemmering vormde voor de toegang tot de rechter. Het verzoek om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie wordt afgewezen. De beroepen worden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De beroepen tegen de BPM-heffing zijn ongegrond verklaard en de verzoeken van eiseres afgewezen.