ECLI:NL:RBDHA:2020:2144
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Weigering verlenging voorrangsverklaring wegens onvoldoende benutting woningaanbod
Verzoeker had een voorrangsverklaring gekregen met een geldigheidsduur van drie maanden, die door het college niet werd verlengd. De weigering was gebaseerd op het feit dat verzoeker twee passende woningen had geweigerd en onvoldoende had gereageerd op het woningaanbod. Tevens was zijn voorkeur om alleen in een bepaalde plaats te wonen niet acceptabel in de noodsituatie.
Verzoeker stelde dat hij de voorrangsverklaring feitelijk korter dan drie maanden kon benutten omdat hij het besluit pas later ontving en dat de gunning van een woning plaatsvond na afloop van de geldigheidsduur. Hij vroeg om toepassing van de hardheidsclausule.
De rechtbank stelde vast dat het besluit over de geldigheidsduur onherroepelijk is en dat verzoeker dit risico zelf draagt. De rechtbank vond dat verweerder terecht de verlenging had geweigerd omdat verzoeker niet optimaal had gereageerd en de woningaanbiedingen niet had geaccepteerd. Ook was er geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van verlenging van de voorrangsverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.