ECLI:NL:RBDHA:2020:2285
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen inreisverbod na opheffing ongewenstverklaring wegens onvoldoende medische en familiale gronden
Eiser, een Surinaamse man van 57 jaar, was ongewenst verklaard en kreeg bij besluit van 19 december 2018 een inreisverbod van twee jaar opgelegd na opheffing van de ongewenstverklaring. Dit besluit werd in een eerdere procedure vernietigd, waarna een nieuw besluit met hetzelfde inreisverbod volgde. Eiser stelde dat het inreisverbod in strijd was met artikel 3 en Pro 8 EVRM vanwege zijn medische gesteldheid en familieleven in Nederland.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor de ernst van zijn medische situatie, waaronder depressie en suïcidale gedachten, waardoor artikel 3 EVRM Pro niet werd geschonden. Ook werd geoordeeld dat het familieleven met zijn meerderjarige dochter, broer en zussen niet beschermenswaardig was in de zin van artikel 8 EVRM Pro, omdat de relatie niet verder gaat dan een gebruikelijke band zonder meer dan gebruikelijke afhankelijkheid.
Verder nam de rechtbank het standpunt van verweerder over dat het belang van de Nederlandse overheid bij het handhaven van een restrictief toelatingsbeleid zwaarder weegt dan het privébelang van eiser. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.